Uitgebreide woordenlijst met medische termen voor knie- en heupchirurgie. Alles uitgelegd in begrijpelijke taal.
De voorste kruisband (ACL) is één van de belangrijkste stabiliserende structuren in de knie. Het verbindt het dijbeen met het scheenbeen en voorkomt dat het scheenbeen naar voren schuift ten opzichte van het dijbeen.
Een adductor kanaalblok is een regionale verdovingstechniek waarbij een gevoelszenuw halverwege de dij wordt verdoofd. Dit wordt gebruikt bij knieoperaties om postoperatieve pijn te verminderen en de behoefte aan morfine-achtige medicatie te verlagen. Het wordt uitgevoerd door de anesthesist onder echogeleiding.
Een allograft is weefsel (zoals een pees) afkomstig van een donor in plaats van van de patiënt zelf. Het wordt gebruikt bij kruisbandreconstructies wanneer eigen weefsel niet beschikbaar is. Voordeel: geen donorplaatsproblematiek. Nadeel: langere ingroeiperiode dan autograft.
Anesthesie is het verlies van gevoel en bewustzijn tijdens een operatie. Bij knie- en heupoperaties wordt meestal een combinatie gebruikt: algemene verdoving (narcose) gecombineerd met regionale verdoving (adductor kanaalblok) voor optimale pijncontrole en sneller herstel.
De anterieure toegangsweg is een minimaal invasieve techniek voor heupprotheses waarbij de chirurg tussen de spieren doorwerkt in plaats van erdoorheen te snijden. Dit spaart de spieren, resulteert in sneller herstel, minder pijn en een meer natuurlijke loopbeweging.
Arthrofibrose is overmatige vorming van littekenweefsel in het gewricht na een operatie of letsel. Het kan leiden tot stijfheid en beperkte beweeglijkheid. Behandeling bestaat uit intensieve kinesitherapie, manipulatie onder narcose, of arthrolyse (chirurgische verwijdering van verklevingen).
Arthrografie is een beeldvormingstechniek waarbij contrastvloeistof in het gewricht wordt geïnjecteerd voordat een MRI of CT-scan wordt gemaakt. Dit helpt om structuren in het gewricht beter zichtbaar te maken, vooral bij meniscus- of kraakbeenletsels.
Arthrolyse is een operatie waarbij littekenweefsel en verklevingen in het gewricht worden verwijderd om beweeglijkheid te herstellen. Het wordt uitgevoerd bij arthrofibrose (overmatige littekenvorming) die leidt tot stijfheid na een knieoperatie.
Artroscopie is een minimaal invasieve kijkoperatie (ook wel keyhole chirurgie genoemd) waarbij de chirurg via kleine incisies een camera (artroscoop) in het gewricht brengt. Dit wordt gebruikt voor diagnostiek en behandeling van meniscusletsels, kruisbandreconstructies en kraakbeendefecten.
Artrose is slijtage van het gewrichtskraakbeen. Het is een chronische aandoening waarbij het kraakbeen dunner wordt, wat leidt tot pijn, stijfheid en verminderde mobiliteit. Bij knieartrose (gonartrose) en heupartrose (coxartrose) kan een prothese nodig zijn.
Een autograft is weefsel (zoals een pees) dat van de patiënt zelf wordt genomen voor gebruik bij een reconstructie. Bij kruisbandreconstructies worden vaak hamstringpezen, patellapees of quadricepspees gebruikt. Voordeel: geen afstotingsreactie. Nadeel: donorplaatsproblematiek.
Belasting verwijst naar hoeveel gewicht u op het geopereerde been mag zetten tijdens het lopen. Dit varieert van volledig belasten (100%) tot gedeeltelijk belasten (50%) of niet belasten (0%). De belasting wordt geleidelijk opgebouwd tijdens de revalidatie volgens het protocol.
Belastingsopbouw is het geleidelijk verhogen van de hoeveelheid gewicht die u op het geopereerde been mag zetten. Dit gebeurt volgens een vast protocol: eerst met krukken, dan gedeeltelijk belasten, en uiteindelijk volledig belasten zonder hulpmiddelen.
Beweeglijkheid (ROM - Range of Motion) is de mate waarin een gewricht kan buigen en strekken. Na een knieoperatie is het belangrijk om de beweeglijkheid snel te herwinnen door oefeningen en kinesitherapie. Normale kniebeweeglijkheid is ongeveer 0-140 graden.
Bloedverdunners zijn medicijnen die de bloedstolling verminderen om trombose (bloedklonter) te voorkomen na een operatie. Deze moeten tijdig worden stopgezet voor de operatie en worden hervat na de ingreep. Voorbeelden zijn aspirine, clopidogrel, warfarine en DOAC's.
Een blokkage is wanneer de knie tijdelijk vastzit en niet volledig gestrekt of gebogen kan worden. Dit wijst op een mechanisch probleem, zoals een meniscusscheur (flapscheur), los lichaam (corpus liberum), of kraakbeendefect. Echte blokkages vereisen vaak chirurgische behandeling.
Een brace is een extern hulpmiddel dat de knie ondersteunt en beschermt na een operatie of bij instabiliteit. Er zijn verschillende types: functionele braces voor sport, revalidatiebraces na operaties, en beschermende braces. De brace wordt gedragen volgens het revalidatieprotocol.
Een bucket handle scheur is een type meniscusscheur waarbij een flap van de meniscus loskomt en in het gewricht kan klappen, wat blokkages veroorzaakt. Het is een ernstige scheur die vaak chirurgische behandeling vereist, meestal via meniscushechting of meniscectomie.
Bursitis is een ontsteking van de slijmbeurs, een met vocht gevuld zakje dat als schokdemper werkt tussen botten, pezen en spieren. Bij de knie komt dit vaak voor rond de knieschijf (prepatellaire bursitis) en kan pijn en zwelling veroorzaken.
Een cementloze prothese is een implantaat dat direct in het bot wordt geplaatst zonder botcement. Het bot groeit in de poreuze oppervlakte van de prothese (osseointegratie), waardoor een sterke verbinding ontstaat. Dit wordt vooral gebruikt bij jongere, actieve patiënten.
Chondromalacie is verzachting en beschadiging van het kraakbeen aan de achterkant van de knieschijf (patella). Het veroorzaakt pijn aan de voorkant van de knie, vooral bij traplopen, hurken of lang zitten. Vaak voorkomend bij jonge, actieve mensen.
Een compartiment is een deel van het kniegewricht. De knie heeft drie compartimenten: het mediale (binnenste), laterale (buitenste) en patellofemorale (achter de knieschijf) compartiment. Bij partiële knieprotheses wordt alleen het beschadigde compartiment vervangen.
Een complicatie is een onverwachte medische problemen die kan optreden tijdens of na een operatie. Veelvoorkomende complicaties bij knie- en heupoperaties zijn infectie, trombose, nabloeding, zenuwschade en loslating van de prothese. Complicaties zijn zeldzaam maar kunnen ernstig zijn.
Conservatieve behandeling betekent behandeling zonder operatie. Het omvat kinesitherapie, medicatie, infiltraties, brace, en aanpassing van activiteiten. Conservatieve behandeling wordt altijd eerst geprobeerd voordat een operatie wordt overwogen, tenzij er een duidelijke operatieve indicatie is.
Een corpus liberum is een los stukje kraakbeen of bot dat in het gewricht zweeft. Het kan ontstaan door trauma, artrose, of kraakbeendefecten. Het kan blokkages veroorzaken wanneer het tussen de gewrichtsvlakken klemt. Behandeling is meestal artroscopische verwijdering.
Een cortisone infiltratie is een injectie met ontstekingsremmende medicatie (corticosteroïden) direct in het gewricht. Dit wordt gebruikt bij artrose, ontstekingen of slijmbeursontsteking om pijn en zwelling snel te verminderen. Het effect is meestal tijdelijk (enkele weken tot maanden).
Coxartrose is de medische term voor artrose van de heup. Het is slijtage van het kraakbeen in het heupgewricht, wat leidt tot pijn in de lies, bil of dij, stijfheid en beperkte mobiliteit. Bij uitgebreide coxartrose kan een totale heupprothese nodig zijn.
CPAK is een classificatiesysteem voor knie-uitlijning dat gebruikt wordt bij de planning van knieprotheses. Het combineert de Femoral Mechanical Angle (FMA) en Tibial Mechanical Angle (TMA) om het natuurlijke uitlijningspatroon van de knie te bepalen. CPAK-opnames zijn langebeen röntgenfoto's die deze parameters meten.
CPM is een apparaat dat de knie automatisch buigt en strekt zonder dat u spierkracht hoeft te gebruiken. Het wordt gebruikt direct na knieoperaties om beweeglijkheid te behouden, zwelling te verminderen en stijfheid te voorkomen. Het wordt meestal enkele uren per dag gebruikt.
Crepitaties zijn krakende of knarsende geluiden in het gewricht bij beweging. Ze kunnen wijzen op artrose, waarbij het beschadigde kraakbeen tegen elkaar schuurt. Niet alle crepitaties zijn problematisch, maar bij pijn of stijfheid kunnen ze een teken zijn van artrose.
Cryotherapie is het toepassen van koude (ijs) om zwelling en pijn te verminderen na een operatie of letsel. Het wordt gebruikt als onderdeel van RICE (Rest, Ice, Compression, Elevation). Koelen moet regelmatig worden toegepast, maar niet direct op de huid (gebruik een doek).
Een CT-scan is een beeldvormingstechniek die gedetailleerde 3D-beelden van botten en gewrichten maakt. Bij knie- en heupoperaties wordt het gebruikt voor preoperatieve planning, vooral bij complexe gevallen of revisieoperaties. Het toont botstructuur beter dan een gewone röntgenfoto.
Dagkliniek betekent dat u op dezelfde dag van de operatie weer naar huis gaat, zonder overnachting in het ziekenhuis. Dit is mogelijk bij kleinere ingrepen zoals meniscectomie of artroscopie. U moet wel voldoen aan ontslagcriteria zoals zelfstandig kunnen lopen en pijn onder controle.
Echografie is een beeldvormingstechniek die geluidsgolven gebruikt om weke delen (spieren, pezen, ligamenten) zichtbaar te maken. Het wordt gebruikt voor diagnostiek van peesontstekingen, slijmbeursontstekingen en voor echogeleide injecties. Het toont geen bot of kraakbeen.
Extensie is het strekken van het gewricht. Voor de knie betekent dit het volledig recht maken van het been. Extensiebeperking (niet volledig kunnen strekken) is een veelvoorkomend probleem na knieoperaties en moet snel worden behandeld met oefeningen en kinesitherapie.
Het femur is het dijbeen, het langste bot in het menselijk lichaam. Het vormt samen met het scheenbeen (tibia) en de knieschijf (patella) het kniegewricht. Bij heupoperaties wordt de heupkop van het femur vervangen.
Het fibula is het kuitbeen, het dunne bot aan de buitenkant van het onderbeen naast het scheenbeen (tibia). Het speelt een ondersteunende rol en vormt samen met de tibia de enkel. Bij knieoperaties is het fibula meestal niet betrokken.
Flexie is het buigen van het gewricht. Voor de knie betekent dit het buigen van het been. Normale knie-flexie is ongeveer 140 graden. Flexiebeperking na een operatie wordt behandeld met oefeningen, kinesitherapie en soms manipulatie onder narcose.
FMA is de hoek tussen de mechanische as van het dijbeen (femur) en de transcondylaire lijn. Deze hoek wordt gebruikt bij CPAK-classificatie om het natuurlijke uitlijningspatroon van de knie te bepalen voor gepersonaliseerde knieprothese plaatsing.
Fysiotherapie (ook wel kinesitherapie genoemd) is bewegings- en oefentherapie onder begeleiding van een fysiotherapeut. Het is essentieel voor herstel na knie- of heupoperaties en helpt bij het versterken van spieren, verbeteren van mobiliteit en verminderen van pijn.
Een gecementeerde prothese is een implantaat dat wordt vastgezet met botcement (polymethylmethacrylaat). Het cement werkt als een lijm tussen het bot en de prothese. Dit wordt vooral gebruikt bij oudere patiënten of bij bot van mindere kwaliteit.
Gonartrose is de medische term voor artrose van de knie. Het is een chronische aandoening waarbij het kraakbeen in het kniegewricht geleidelijk slijt, wat leidt tot pijn, stijfheid en verminderde mobiliteit. Behandelopties variëren van conservatieve therapie (kinesitherapie, infiltraties) tot een totale of partiële knieprothese.
Een graft is weefsel dat wordt gebruikt om een beschadigde structuur te vervangen, zoals bij kruisbandreconstructies. Er zijn drie types: autograft (eigen weefsel), allograft (donorweefsel), en synthetisch (LARS). De keuze hangt af van de patiënt, activiteitsniveau en voorkeur van de chirurg.
De hamstrings zijn spieren aan de achterkant van het dijbeen die de knie buigen. Bij kruisbandreconstructies worden vaak hamstringpezen gebruikt als autograft. De pezen worden via kleine incisies verwijderd zonder de spierfunctie te beïnvloeden.
Een hematoom is een ophoping van bloed onder de huid na een operatie. Het kan zwelling, pijn en verkleuring veroorzaken. Kleine hematomen lossen meestal vanzelf op, maar grote hematomen kunnen drainage vereisen. Het is een mogelijke complicatie na knie- of heupoperaties.
De HKA-hoek is de hoek tussen de mechanische as van het dijbeen (van heup tot knie) en de mechanische as van het scheenbeen (van knie tot enkel). Deze hoek wordt gemeten op langebeen röntgenfoto's en bepaalt de globale uitlijning van het been.
Hospitalisatie is de periode dat u in het ziekenhuis verblijft na een operatie. Bij knie- en heupprotheses is dit meestal 2-3 dagen. Bij kleinere ingrepen zoals meniscectomie is dagkliniek mogelijk. De duur hangt af van het type operatie, herstel en ontslagcriteria.
Een hyaluronzuur infiltratie is een injectie met visco-elastisch materiaal in het kniegewricht. Het werkt als een "smeermiddel" voor het gewricht en kan pijnverlichting geven bij milde tot matige knieartrose. Meestal worden 3-5 injecties gegeven over enkele weken.
Een implant is een kunstmatig gewrichtsdeel dat wordt gebruikt om een beschadigd gewricht te vervangen. Bij knie- en heupprotheses bestaan implants uit metalen, kunststof en keramische componenten die het natuurlijke gewricht nabootsen.
Een infectie is een bacteriële besmetting van de wond of het gewricht na een operatie. Symptomen zijn roodheid, zwelling, warmte, pijn en soms koorts. Infecties zijn zeldzaam (minder dan 1-2%) maar kunnen ernstig zijn en vereisen snelle behandeling met antibiotica of soms een spoedoperatie.
Jicht is een vorm van artritis veroorzaakt door ophoping van urinezuurkristallen in gewrichten. Het veroorzaakt plotselinge, hevige pijn, zwelling en roodheid, vaak in de grote teen maar ook in de knie. Behandeling bestaat uit medicatie en dieetaanpassingen.
Een keramisch draaikoppel is een type prothesecomponent gemaakt van keramiek in plaats van metaal of polyethyleen. Het wordt gebruikt bij heupprotheses en biedt zeer lage slijtage, langere levensduur en minder risico op allergische reacties. Moderne heupprotheses gebruiken bijna altijd keramische inlays.
Kinematic Alignment is een moderne techniek voor het plaatsen van een knieprothese waarbij de natuurlijke bewegingsas van de knie wordt behouden in plaats van de traditionele mechanische uitlijning. Dit resulteert in betere functie en tevredenheid van patiënten.
Kinesitherapie (ook wel fysiotherapie genoemd) is bewegings- en oefentherapie onder begeleiding van een kinesist. Het is essentieel voor herstel na knie- of heupoperaties en helpt bij het versterken van spieren, verbeteren van mobiliteit en verminderen van pijn.
Kraakbeen is een glad, elastisch weefsel dat de uiteinden van botten bedekt in gewrichten. Het werkt als een schokdemper en zorgt voor soepele beweging. Bij artrose slijt het kraakbeen, wat leidt tot pijn en stijfheid. Kraakbeendefecten kunnen behandeld worden met verschillende technieken.
De kruisbanden zijn belangrijke stabiliserende structuren in de knie. Er zijn twee kruisbanden: de voorste kruisband (ACL) en de achterste kruisband (PCL). Ze voorkomen dat het scheenbeen te ver naar voren of achteren schuift ten opzichte van het dijbeen.
Krukken zijn hulpmiddelen die worden gebruikt om gewicht van het geopereerde been te halen tijdens het lopen. Ze worden gebruikt tijdens de eerste weken na een operatie, waarbij de belasting geleidelijk wordt opgebouwd. Er zijn verschillende types: elleboogkrukken, okselkrukken en looprekken.
LARS is een synthetisch ligament gemaakt van polyester dat wordt gebruikt bij kruisbandreconstructies. Het voordeel is sneller herstel (3-6 maanden) vergeleken met traditionele autograft reconstructies. LARS wordt vooral gebruikt bij actieve patiënten die snel willen terugkeren naar sport.
Laterale betekent "aan de buitenkant" of "weg van het midden". In de knie verwijst dit naar de buitenkant van het gewricht. Het laterale compartiment is het buitenste deel van de knie, en de laterale meniscus ligt aan de buitenkant.
LIA is een pijnbehandelingstechniek waarbij de chirurg tijdens de operatie lokale verdoving direct in het operatiegebied injecteert. Dit vermindert postoperatieve pijn aanzienlijk en vermindert de behoefte aan morfine-achtige medicatie. Het wordt vaak gecombineerd met een adductor kanaalblok.
Een ligament is een sterk, vezelig weefsel dat botten met elkaar verbindt en gewrichten stabiliseert. In de knie zijn er vier belangrijke ligamenten: de voorste en achterste kruisbanden (ACL, PCL) en de binnenste en buitenste collaterale banden (MCL, LCL).
Loslating is het loskomen van een prothese van het bot zonder infectie. Het kan optreden door slijtage, botverlies of mechanische factoren. Symptomen zijn pijn, vooral bij belasting, en soms instabiliteit. Loslating kan leiden tot de noodzaak van een revisieoperatie.
Manipulatie onder narcose is een procedure waarbij de knie onder algemene verdoving wordt geforceerd gebogen en gestrekt om verklevingen en littekenweefsel te breken. Het wordt gebruikt bij stijfheid (arthrofibrose) na een knieoperatie wanneer kinesitherapie alleen onvoldoende is.
De MCL is de binnenste collaterale band van de knie, die het dijbeen met het scheenbeen verbindt aan de binnenkant van de knie. Het voorkomt dat de knie naar binnen zakt (valgus stress). MCL-letsels komen vaak voor bij sportblessures.
Mediale betekent "aan de binnenkant" of "naar het midden toe". In de knie verwijst dit naar de binnenkant van het gewricht. Het mediale compartiment is het binnenste deel van de knie waar vaak artrose ontstaat, en de mediale meniscus ligt aan de binnenkant.
Een meniscectomie is een artroscopische operatie waarbij een deel van de beschadigde meniscus wordt verwijderd. Dit wordt gedaan wanneer de meniscus niet meer te hechten is. Na de operatie volgt een korte revalidatieperiode.
De meniscus is een halvemaanvormig stukje kraakbeen in de knie. Elke knie heeft er twee: één aan de binnenkant (mediale meniscus) en één aan de buitenkant (laterale meniscus). Ze werken als schokdempers en helpen de knie stabiel te houden. Een meniscusscheur kan ontstaan door trauma of slijtage.
Een meniscushechting is een artroscopische operatie waarbij een gescheurde meniscus wordt gehecht in plaats van verwijderd. Dit wordt gedaan bij jonge patiënten met een scheur in de goed doorbloede zone van de meniscus. Het behoud van de meniscus is belangrijk voor de lange termijn gezondheid van de knie.
Minimaal invasief is een chirurgische techniek waarbij een beperkte toegang gebruikt wordt met minder spier- en weefselschade. Keyhole chirurgie is bijvoorbeeld een artroscopie. Deze techniek spaart weefsel, vermindert pijn, en versnelt herstel. Ook de anterieure toegangsweg bij heupprotheses is minimaal invasief.
Mobilisatie is het in beweging brengen van het gewricht en het lichaam na een operatie. Vroege mobilisatie (binnen 24 uur) is belangrijk voor herstel, voorkomt complicaties zoals trombose, en verbetert de functie. Het begint met lichte oefeningen en wordt geleidelijk opgebouwd.
Het MPFL is de belangrijkste zachte-weefsel stabilisator van de knieschijf. Het verbindt de binnenkant van de knieschijf met het dijbeen en voorkomt dat de knieschijf naar buiten (lateraal) verschuift. Bij een knieschijfluxatie scheurt het MPFL in 85% van de gevallen. MPFL-reconstructie is de standaardoperatie bij recidiverende patellofemorale instabiliteit.
Een MRI is een beeldvormingstechniek die gedetailleerde beelden maakt van weke delen (meniscus, ligamenten, kraakbeen) zonder röntgenstraling. Het wordt gebruikt voor diagnostiek van meniscusscheuren, kruisbandletsels en kraakbeendefecten. Het is zeer nauwkeurig maar duurder dan röntgen.
Nanofat is een regeneratieve behandeling waarbij vetweefsel wordt verwerkt tot zeer kleine deeltjes en geïnjecteerd in het gewricht. Het bevat stamcellen en groeifactoren die kunnen helpen bij het herstel van kraakbeenschade en vermindering van ontsteking bij artrose.
NSAID (Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drug) zijn ontstekingsremmende pijnstillers zoals ibuprofen en diclofenac. Ze verminderen pijn en ontsteking bij artrose en na operaties. Ze kunnen maagklachten veroorzaken en moeten voorzichtig worden gebruikt bij nierproblemen of bloedverdunners.
Een osteochondraal defect is een beschadiging van zowel het kraakbeen als het onderliggende bot. Dit kan ontstaan door trauma of spontaan (osteochondritis dissecans). Het kan leiden tot pijn, zwelling en blokkages in de knie. Behandeling varieert van conservatief tot chirurgisch.
Een osteotomie is een operatie waarbij een bot wordt doorgesneden en in een andere positie wordt gezet om de uitlijning te corrigeren. Bij de knie wordt dit gebruikt om varus- of valgusstandafwijkingen te corrigeren, wat de belasting op het gewricht kan verbeteren en artrose kan vertragen.
Een partiële knieprothese vervangt alleen het beschadigde compartiment van de knie (meestal de binnenkant). Dit is een minder invasieve ingreep dan een totale knieprothese, met sneller herstel en behoud van meer natuurlijk weefsel. Geschikt voor patiënten met artrose in slechts één compartiment.
De patella is de knieschijf, een driehoekig bot dat voor in de knie ligt. Het beschermt het kniegewricht en helpt bij het overbrengen van kracht van de dijbeenspieren naar het scheenbeen. Bij patellofemorale instabiliteit schiet de knieschijf uit de kom. Bij patellofemorale artrose kan een patellofemorale prothese nodig zijn.
Patella alta is een aandoening waarbij de knieschijf hoger zit dan normaal. Dit vergroot het risico op patellofemorale instabiliteit doordat de knieschijf langer moet "reizen" voordat deze in de trochleagroef komt. De hoogte wordt gemeten met de Caton-Deschamps index op röntgenfoto.
De patellapees verbindt de knieschijf (patella) met het scheenbeen (tibia). Het is een sterke pees die essentieel is voor knie-extensie. Bij kruisbandreconstructies kan de patellapees worden gebruikt als autograft, maar dit wordt minder vaak gedaan dan hamstringpezen.
Patellofemoraal verwijst naar het gewricht tussen de knieschijf (patella) en het dijbeen (femur). Dit is het derde compartiment van de knie. Patellofemorale artrose treft vooral de achterkant van de knieschijf en kan leiden tot pijn bij traplopen en hurken.
De achterste kruisband (PCL) is een belangrijk ligament in de knie dat voorkomt dat het scheenbeen naar achteren schuift. PCL-letsels komen minder vaak voor dan ACL-letsels.
Pivot shift is een test die rotatie-instabiliteit van de knie aantoont, typisch bij voorste kruisbandletsels. Het is ook het gevoel dat patiënten beschrijven: de knie "zakt weg" bij draaibewegingen. Dit is een belangrijk symptoom dat kan wijzen op de noodzaak van een kruisbandreconstructie.
Polyethyleen is een kunststof materiaal dat wordt gebruikt in knie- en heupprotheses als tussenstuk (inlay) tussen de metalen componenten. Het zorgt voor soepele beweging en vermindert wrijving. Na jaren kan polyethyleen slijten, wat kan leiden tot loslating en revisieoperatie.
Postoperatief betekent "na de operatie". Het verwijst naar de periode en zorg na een chirurgische ingreep, inclusief revalidatie, pijnbehandeling, wondverzorging en herstel. Een goed postoperatief protocol is essentieel voor optimaal herstel.
Prehab is revalidatie vóór de operatie om de knie of heup optimaal voor te bereiden. Het omvat spierversterking, beweeglijkheidsoefeningen en conditietraining. Prehab verbetert het postoperatieve herstel aanzienlijk en kan de revalidatietijd verkorten.
Preoperatief betekent "voor de operatie". Het verwijst naar de voorbereiding en onderzoeken die worden gedaan voordat een operatie plaatsvindt, zoals bloedonderzoek, EKG, röntgenfoto's, en het stoppen van bloedverdunners. Goede preoperatieve voorbereiding is belangrijk voor veiligheid.
PRP (Platelet Rich Plasma) is een regeneratieve behandeling waarbij bloed van de patiënt wordt afgenomen, gecentrifugeerd om de bloedplaatjes te concentreren, en vervolgens geïnjecteerd in het gewricht. De groeifactoren in PRP kunnen helpen bij het herstel van weefselschade en vermindering van ontsteking bij artrose.
De quadriceps is de grote spier aan de voorkant van het dijbeen die de knie strekt. Het bestaat uit vier delen en is essentieel voor lopen, traplopen en opstaan. Na knieoperaties is quadriceps activatie en versterking cruciaal voor herstel. De quadricepspees kan ook worden gebruikt als graft bij kruisbandreconstructies.
Reumatoïde artritis is een auto-immuunziekte waarbij het immuunsysteem de gewrichten aanvalt, wat leidt tot ontsteking, pijn, zwelling en uiteindelijk gewrichtsschade. Het kan alle gewrichten aantasten, inclusief de knie en heup. Behandeling bestaat uit medicatie en soms chirurgie.
Revalidatie is het herstelproces na een knie- of heupoperatie. Het omvat kinesitherapie, oefeningen, en geleidelijke opbouw van activiteiten. Een goede revalidatie is essentieel voor optimaal herstel en terugkeer naar dagelijkse activiteiten en sport.
Een revalidatieprotocol is een gestructureerd plan met specifieke oefeningen, belastingsopbouw en criteria voor elke fase van het herstel. Het is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en wordt aangepast aan het type operatie. Volgen van het protocol is essentieel voor optimaal herstel.
Een revisie knieprothese is een vervanging van een bestaande knieprothese. Dit kan nodig zijn bij loslating, slijtage, infectie of andere complicaties. Revisieoperaties zijn complexer dan primaire protheses en vereisen vaak speciale protheses en langere revalidatie.
RICE is een acroniem voor de eerste behandeling van acute letsels: Rest (rust), Ice (ijs/koelen), Compression (compressie/verband), Elevation (elevatie/omhoog leggen). Het helpt zwelling en pijn te verminderen in de eerste 48-72 uur na een letsel of operatie.
ROM (Range of Motion) is de bewegingsuitslag van een gewricht, gemeten in graden. Voor de knie betekent dit hoe ver het been kan buigen (flexie) en strekken (extensie). Normale knie-ROM is ongeveer 0-140 graden. Na een operatie is het belangrijk om de ROM snel te herwinnen door oefeningen en kinesitherapie.
Een ruptuur is een volledige scheur of breuk van een weefsel, zoals een ligament, meniscus of pees. Bij een complete ruptuur is het weefsel volledig doorgescheurd, terwijl bij een partiële ruptuur slechts een deel is beschadigd. Behandeling hangt af van de locatie en ernst.
Een röntgenfoto is een beeldvormingstechniek die botstructuren zichtbaar maakt met behulp van röntgenstraling. Het wordt gebruikt voor diagnostiek van artrose, botbreuken, en voor preoperatieve planning (zoals CPAK-opnames). Het is snel, goedkoop en toont bot goed, maar geen weke delen.
Startstijfheid is een stijf gevoel in het gewricht bij het opstaan na rust, vooral 's ochtends of na lang zitten. Het is een typisch symptoom van artrose en verdwijnt meestal na enkele minuten beweging. Het wordt veroorzaakt door ontsteking en vochtophoping in het gewricht.
Synovitis is een ontsteking van het synoviaal membraan, de binnenbekleding van het gewricht die gewrichtsvloeistof produceert. Het veroorzaakt zwelling, pijn en warmte in het gewricht. Het kan voorkomen bij artrose, reumatoïde artritis of na trauma.
Een totale heupprothese (THP) is een operatie waarbij het heupgewricht wordt vervangen door kunstgewrichtsdelen. Dit wordt gedaan bij uitgebreide heupartrose (coxartrose) die niet meer conservatief behandeld kan worden. De operatie wordt uitgevoerd via een anterieure benadering met sneller herstel.
Het tibia is het scheenbeen, het bot dat het onderbeen vormt samen met het kuitbeen (fibula). Het vormt samen met het dijbeen (femur) en de knieschijf (patella) het kniegewricht. Bij knieprotheses wordt het bovenste deel van de tibia vervangen.
Een totale knieprothese (TKP) is een operatie waarbij alle drie de compartimenten van de knie worden vervangen door kunstgewrichtsdelen. Dit is de meest voorkomende behandeling bij uitgebreide knieartrose die niet meer conservatief behandeld kan worden. De operatie wordt uitgevoerd door een orthopedisch chirurg in Gent of Sint-Amandsberg.
TMA is de hoek tussen de mechanische as van het scheenbeen (tibia) en de tibiale plateau-lijn. Deze hoek wordt gebruikt bij CPAK-classificatie samen met de FMA om het natuurlijke uitlijningspatroon van de knie te bepalen voor gepersonaliseerde knieprothese plaatsing.
Een transplantaat is weefsel dat wordt gebruikt om een beschadigde structuur te vervangen. Bij kruisbandreconstructies wordt een peestransplantaat gebruikt om de gescheurde kruisband te vervangen. Het kan autograft (eigen), allograft (donor), of synthetisch (LARS) zijn.
De trochlea is de groef aan de voorkant van het dijbeen (femur) waarin de knieschijf glijdt. Bij trochleadysplasie is deze groef te vlak of zelfs bol, waardoor de knieschijf onvoldoende geleiding heeft en makkelijker luxeert.
Trochleadysplasie is een aangeboren afwijking waarbij de trochleagroef te vlak of zelfs bol is. Dit is de belangrijkste anatomische risicofactor voor patellofemorale instabiliteit. De ernst wordt geclassificeerd volgens Dejour (type A-D).
Trombose is de vorming van een bloedklonter in een ader, meestal in het been. Het is een mogelijke complicatie na knie- of heupoperaties. Symptomen zijn zwelling, pijn en roodheid van het been. Preventie gebeurt met bloedverdunners, vroege mobilisatie en compressiekousen.
De TT-TG afstand is de horizontale afstand tussen het tibiale tuberculum (waar de patellapees aanhecht) en de diepste punt van de trochleagroef. Een afstand >20mm is een risicofactor voor patellofemorale instabiliteit en kan een indicatie zijn voor een TTO (tibial tubercle osteotomy).
Een TTO is een botcorrectie waarbij het tibiale tuberculum (waar de patellapees aanhecht) wordt verplaatst naar mediaal. Dit corrigeert de trekrichting van de patellapees en wordt uitgevoerd bij verhoogde TT-TG afstand. De operatie wordt vaak gecombineerd met een MPFL-reconstructie.
Een unicondylaire knieprothese is een partiële knieprothese die alleen één compartiment (meestal het mediale) van de knie vervangt. Dit is een minder invasieve ingreep dan een totale knieprothese, met sneller herstel en behoud van meer natuurlijk weefsel.
Valgus is een standafwijking waarbij de knie naar buiten staat (X-benen). Dit kan leiden tot asymmetrische belasting en versnelde slijtage aan de buitenkant van de knie. Bij knieprotheses wordt rekening gehouden met de natuurlijke varus- of valgusstand van de patiënt.
Varus is een standafwijking waarbij de knie naar binnen staat (O-benen). Dit kan leiden tot asymmetrische belasting en versnelde slijtage aan de binnenkant van de knie. Bij knieprotheses wordt rekening gehouden met de natuurlijke varus- of valgusstand van de patiënt.
Visco-supplementatie is een behandeling waarbij hyaluronzuur (een natuurlijk bestanddeel van gewrichtsvloeistof) wordt geïnjecteerd in het gewricht. Het werkt als een "smeermiddel" en kan pijnverlichting geven bij milde tot matige artrose. Meestal worden 3-5 injecties gegeven over enkele weken.
VKB is de Nederlandse afkorting voor Voorste Kruisband (in het Engels: ACL - Anterior Cruciate Ligament). Het is één van de belangrijkste stabiliserende structuren in de knie die het dijbeen met het scheenbeen verbindt en voorkomt dat het scheenbeen naar voren schuift.
Wegzakken is het gevoel dat de knie plotseling "wegzakt" of instabiel wordt, vooral bij draaibewegingen of richtingsveranderingen. Het is een typisch symptoom van kruisbandletsels en wijst op instabiliteit. Het kan leiden tot vallen en verdere schade aan de knie.
Zenuwschade is beschadiging van een zenuw tijdens of na een operatie. Het kan leiden tot gevoelloosheid, tintelingen of zwakte. Bij knieoperaties kan de nervus saphenus (gevoelszenuw) beschadigd raken, wat tijdelijke gevoelloosheid rond de incisie veroorzaakt. Meestal is dit tijdelijk.